Wij kregen _Kareltje Amoureus_,
Die dagelijks ons komt vervelen,
Met ons zijn bijzijn mee te deelen,
Eens alleraardigst bij den neus!
Weet dan, zijn zotte liefdeklagt,
Zoekt ook mijn zuster 't hof te maken,
En, schoon haar schalkheid hem belacht,
Hij blijft maar trouw zijn zuchten slaken!
Zoo, stappende als een stootershaan,
Kwam 't Heertje gistren bij ons aan,
Alweer verliefd tot over de ooren!
"Zijn lieve attentie wilde eens hooren,
"Hoe 't in den huisselijken kring,"
Sprak hij, "met de gezondheid ging;
"O! altoos sloeg zijn hart geruster,
"Wanneer zijn oog ons dierbaar huis,
(Hier wierp hij lonkjes naar mijn zuster!)
"Bevrijd mogt zien van druk en kruis!"
De Don Quichot van geest en leden,
Kwam 't woonvertrek dan ingegleden,
Juist toen een medaillon portret,
(Iets zweemend naar mijn zuster Jet)
Ons aller aandacht hield gekluisterd,
Naauw ziet hij 't, of zijn dwaasheid fluistert:
"Zij is 't, zij is 't, en 's kunstnaars hand,
"Schiep u dit beeld ten minnepand!"
En, van verrukking opgetogen,
Hing heel zijn ziel aan 't medaillon!
"Neen," zei 'k, zoo droog weg als ik kon,
"Zoo veel aantreklijks zien mijne oogen
"Nu waarlijk aan die beeldtnis niet!"
"Niet!" riep hij, en zijn taal verried,
Wie of zijn geestdrift dacht te aanschouwen:
"Het is de schoonste van de vrouwen,
"Die door eens schilders kunstpalet,
"Nog ooit is op ivoor gezet!
"Wat golvend goud omzweeft haar slapen!
"Dat zacht blaauw oog, 't is of het spreekt!
"Wie, die het niet in liefde ontsteekt?
"Tot kussen schijnt die mond geschapen!
"Wat blos versiert de blanke koon--
"Neen, Venus was niet meerder schoon
"In lijfsgestalte en wezenstrekken!
"O! wie de min ten doel mogt strekken,
"Van haar, die dit bekoorlijk beeld,
"Haar toovrend schoon heeft meegedeeld!
"Een zoentje van dien mond mogt stelen."
"Welnu, 'k voldoe uw tortlend kwelen,"
Sprak me oude grootmamatje ras,
Wier beeld (voor vijftig jaar) het was!
"Ja, 'k ben nog een verliefd mallootje,
"Kom, Ridder! kom, voldoe terstond,
"Uw' zielswensch op mijn' rozemond!"
Zoo schaterde mijn vrolijk Grootje.--