Maar al is dit boek dan geen vertaling, het wil toch meer zijn
dan een mededeeling van inhoud alleen, en zich nauwer aan het
oorspronkelijke, als den neerslag van oud-noorschen geest verbinden,
dan een vrije omwerking doorgaans doet. Die geest was ingegroeid in de
mysteries der Natuur, en toch, stond er zoo vragend tegenover. Wat
was het windewaaien in de wouden, de strijd van rijp en ijs en
het flakkerende vuur, het sterven van de zon en het weer opleven
der eeuwig-jonge lente,--de geheimenissen van ondergang en altijd
hernieuwden wederkeer,--de drakenwolken, die als wolven de zon
en de maan verslinden, het dondergedaver over de bergen, die als
reuzen zijn? De oud-noorsche geest was de geest van natuurkinderen
en helden en wijzen tegelijk. Kon het anders in de koude landen van
bergen en ijs en zee, die vol gevaren waren, welke overwonnen moesten
worden om te kunnen leven, die vol grilligheden waren en mysteries,
waarover te droomen was in de lange nachten bij den schijn van het
vlammende Noorderlicht? Die geest moest worden bewaard--ook daar,
waar hij zich in de meest bloederige wraakneming uitleven ging, en
ik streefde er naar, zooals ik ook trachtte de soms zoo harde taal
te benaderen en het stafrijm gebruikte, waar het zich aanbood.
Wat de namen betreft, die in de Edda voorkomen: bijna allen duiden
een karaktereigenschap, wezenlijk kenmerk of bizonderheid aan van
personen of plaatsen of zaken, die er mede worden genoemd. Ik trachtte
ze zooveel mogelijk in nederlandsch weer te geven, waarbij ik op de
woordelijke of wezenlijke beteekenis lette. Sommige echter, die door
hun grootere bekendheid meer de bizonderheid van namen verkregen,
en tegelijk de aanduiding der kenmerkelijkheid meer verloren hebben,
liet ik onveranderd, of koos er den naam voor, die in onze germaansche
streken bekend was. De Oppergod, dien de oude Noorschen Odinn
noemden, heette hier Wodan; de naam Freyer bleef onveranderd. Waar
ik echter Wodan niet b.v. de Waaiende noemde, en Freyer niet Heer,
heb ik Vafthrudnir, Svipdagr, Geirrodh, enz. die al te onbekend
of al te noorsch zouden klinken en onbegrijpelijk zouden zijn,
Stormsterk, Dagdrager, Roodspeer, enz. genoemd. Andere weer zette
ik in bijvoegelijke naamwoorden om en nam ze in een beschrijving op,
opdat een min of meer lange lijst van namen, die niet wezenlijk tot den
inhoud of tot het verhaal behoort, zou vermeden worden. Zoo geschiedde
in het lied van Vermomde en Roodspeer, waar Vermomde ongeveer veertig
namen noemt van stroomen, die uit de bron aan Schrikesch ontspringen;
en met de namen der paarden, waarop de goden ter vergadering rijden,
en waarvan er tien staan genoemd; en bij de slangen, die Schrikesch'
voet omslingeren, en bij de Walkuren, die in Walhalla mede bieden
aan de helden.
De godenleer der oude, uit Aziatischen stam gesproten, Germanen
duidt velerlei verwantschap aan met de mythologie der volkeren
van helleenschen grond. De alleroudste herinneringen waren dan ook
gelijk,--nog afgezien van de gelijkheid in alle menschenwezen. Men
zette, als voorbeeld, Prometheus, die aan de rots geklonken is
maar wiens bevrijding de ondergang zal zijn van Zeus, eens naast
den noorschen Loki-Veenrookwolf, die aan stevige banden ligt, maar
op den dag der godenschemering zijn boeien zal verbreken om Wodan
te verslinden;--vergelijke den verlamden Hephaistos met Weland,
den smid, wiens kniepezen doorgesneden zijn. Maar de Germanenstam,
die door Rusland naar het hooge Noorden ging en ten slotte IJsland
bewoonde, bleef op zijn langen weg, en later in zijn nieuwe land, niet
zonder invloed van de volkeren die hem omringden, en van het koude,
ruwe klimaat. Van hun wereldbeschouwing en godenopvatting is de Edda
de laatste--ook de eenige?--poetische neerslag. Maar tevens is zij